Posts

Reactie GHPC op “switchpleidooi” naar biosimilar-groeihormoon op website Medisch Contact

Eind vorig jaar plaatsten we een bericht op onze website, waarin we de boodschap van hoogleraar kindergeneeskunde Kees Noordam en apotheker Bas van Vlijmen nuanceren. In het tijdschrift Medisch Contact pleitten prof. Noordam en Van Vlijmen voor een landelijke switch naar biosimilars voor groeihormoon-patiënten. Het GHPC vindt dat dit pleidooi nuancering behoeft en heeft gereageerd. Een verkorte versie van onze reactie is nu ook geplaatst op de website van Medisch Contact!

Onze (verkorte) reactie en het artikel van Kees Noordam en Bas van Vlijmen vindt u via onderstaande link:
https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/overstap-naar-biosimilars-scheelt-miljoenen.htm#reacties

Hieronder vindt u de gehele reactie:

 

Pleidooi voor landelijke switch naar biosimilar-groeihormoon: nuancering nodig!

In Medisch Contact van 1 september jl. (‘Overstap naar biosimilars scheelt miljoenen’) pleiten hoogleraar kindergeneeskunde Kees Noordam en Bas van Vlijmen voor een landelijke switch naar biosimilars voor groeihormoon patiënten, omdat hiermee veel geld kan worden bespaard. Prof. Noordam geeft aan dat er de afgelopen twee jaar is getest met een overstap naar biosimilar in het RadboudUMC en dat dit vrijwel probleemloos zou zijn verlopen. Alle reden dus voor een landelijke switch.

Als Groeihormoon Patiënten Collectief vinden wij, een samenwerkingsverband van vijf patiëntenorganisaties (GHPC), dat dit pleidooi enige nuancering behoeft. Ten eerste zijn de prijsverschillen tussen biosimilars en biological-groeihormonen inmiddels aanzienlijk kleiner geworden. Wij begrijpen dat de biosimilar in een aantal gevallen zelfs duurder is dan de originator. De vraag is dus of switchen nog wel zoveel besparing oplevert als door Noordam en Van Vlijmen wordt voorgespiegeld. Belangrijker nog is dat de groeihormoon-populatie een kleine en speciale populatie is, die voor een belangrijk deel uit kinderen bestaat. Kinderen zijn geen kleine volwassenen. Hierdoor is de toedieningsvorm en het daarbij behorende middel in verband met de therapietrouw van groot belang voor een succesvolle behandeling. ‘One size fits all’ geldt niet voor deze kwetsbare groep. Ook bepaalde volwassenen hebben een medische behoefte aan maatwerk. Er zijn ook signalen dat de acceptatie van de groeihormoonbehandeling mogelijk wordt beïnvloed door het conserveermiddel: sommige patiënten verdragen het ene conserveermiddel beter dan het andere. Dit alles is reden voor behoud van pluriformiteit van het aanbod in ziekenhuizen en voorzichtigheid met switchen. Het CBG benadrukte recent ook: “Houd de patiënt voor ogen bij wisseling van medicijnen.” Bij een te grote nadruk op één of slechts enkele leveranciers kan bovendien een risico ontstaan op verminderde productbeschikbaarheid, zoals bij Thyrax. Dat moet worden voorkomen.

In het stuk wordt vermeld dat iets meer dan 10% van de patiënten problemen had met de switch. Noordam en Van Vlijmen vermelden daarbij niet dat omzetting bij kinderen met prikangst en andere patiënten in het Radboudumc bewust niet heeft plaatsgevonden. In de nieuwsbrief van Biosimilars Nederland van afgelopen april was prof. Noordam genuanceerder: “In een aantal gevallen heeft omzetting niet plaatsgevonden, bijvoorbeeld als toediening door de ouder niet mogelijk was ten gevolge van een reumatische aandoening die een specifiek pensysteem vereiste.” In dezelfde nieuwsbrief wordt vermeld dat bij het Radboudumc “nieuwe kinderen die in aanmerking komen voor groeihormoonbehandeling kunnen kiezen tussen het biosimilar preparaat en het originator preparaat.” Deze keuzevrijheid blijft in het stuk in Medisch Contact onvermeld en wordt in het pleidooi naar een landelijke switch achterwege gelaten. Nuancering is echter ook hier op zijn plaats, want waakzaamheid is geboden.

Uit een onderzoek van SiRM blijkt namelijk dat patiënten aangeven omgezet te worden op een andere variant van groeihormoon, die weliswaar even effectief is, maar met een minder gebruiksvriendelijk hulpmiddel toegediend wordt. Behandelaren geven aan dat daarmee de therapietrouw in het geding komt en dat het mogelijk tot een verslechtering van het behandelresultaat leidt. In april van dit jaar schreef minister Schippers dat het beleid op dit terrein mogelijk bijsturing behoeft. Bovendien gaat het veelal om een kwetsbare groep patiënten (kinderen), aldus de minister.

De problematiek rondom groeihormoon vraagt om een genuanceerder beleid dan in het stuk van Noordam en Van Vlijmen wordt voorgestaan, waarbij niet geëxperimenteerd wordt met patiënten, dat bedoeld is om de kwaliteit van de groeihormoonzorg te bewaken. De volgende elementen zouden deel van kunnen uitmaken:

  • Startende patiënten krijgen de keuze voorgelegd tussen verschillende toedieningsvormen. Er moet ruimte voor een echt vrije keuze, zonder druk in de behandelkamer en mét transparantie van de zijde van het ziekenhuis over de rechten van de patiënt.
  • Patiënten alleen omzetten als het toedieningssysteem past bij de patiënt en de ouders. Zoals ook door het CBG recent is onderstreept, moet de patiënt goede voorlichting krijgen bij een wisseling van een medicijn.
  • Na switchen: goed monitoren en terugzetten op het oude middel indien nodig.

Het leveren van een goede zorg voor een kwetsbare patiëntengroep zou belangrijker moeten zijn dan het besparen van kosten. Niet alleen “goedkoop als het kan” moet het credo zijn, ook “duur als het moet”.

 

Johan de Graaf

voorzitter GroeiHormoon Patiënten Collectief – www.ghpc2.wpengine.com
tevens voorzitter van de Nederlandse Hypofyse Stichting

 

Pleidooi voor landelijke switch naar biosimilar-groeihormoon: nuancering nodig!

In Medisch Contact van 1 september jl. (‘Overstap naar biosimilars scheelt miljoenen’) pleiten hoogleraar kindergeneeskunde Kees Noordam en Bas van Vlijmen voor een landelijke switch naar biosimilars voor groeihormoon patiënten, omdat hiermee veel geld kan worden bespaard. Prof. Noordam geeft aan dat er de afgelopen twee jaar is getest met een overstap naar biosimilar in het Radboudumc en dat dit vrijwel probleemloos zou zijn verlopen. Alle reden dus voor een landelijke switch.

Wij als Groeihormoon Patiënten Collectief, een samenwerkingsverband van vijf patiëntenorganisaties (GHPC), vinden dat dit pleidooi enige nuancering behoeft. Ten eerste zijn de prijsverschillen tussen biosimilars en biological-groeihormonen inmiddels aanzienlijk kleiner geworden. Wij begrijpen dat de biosimilar in een aantal gevallen zelfs duurder is dan de originator. De vraag is dus of switchen nog wel zoveel besparing oplevert als door Noordam en Van Vlijmen wordt voorgespiegeld. Belangrijker nog is dat de groeihormoonpopulatie een kleine en speciale populatie is, die voor een belangrijk deel uit kinderen bestaat. Kinderen zijn geen kleine volwassenen. Hierdoor is de toedieningsvorm en het daarbij behorende middel in verband met de therapietrouw van groot belang voor een succesvolle behandeling. ‘One size fits all’ geldt niet voor deze kwetsbare groep. Ook bepaalde volwassenen hebben een medische behoefte aan maatwerk. Er zijn ook signalen dat de acceptatie van de groeihormoonbehandeling mogelijk wordt beïnvloed door het conserveermiddel: sommige patiënten verdragen het ene conserveermiddel beter dan het andere. Dit alles is reden voor behoud van pluriformiteit van het aanbod in ziekenhuizen en voorzichtigheid met switchen. Het CBG benadrukte recent ook: “Houd de patiënt voor ogen bij wisseling van medicijnen.” Bij een te grote nadruk op één of slechts enkele leveranciers kan bovendien een risico ontstaan op verminderde productbeschikbaarheid, zoals bij Thyrax. Dat moet worden voorkomen.

In het stuk wordt vermeld dat iets meer dan 10% van de patiënten problemen had met de switch. Noordam en Van Vlijmen vermelden daarbij niet dat omzetting bij kinderen met prikangst en andere patiënten in het Radboudumc bewust niet heeft plaatsgevonden. In de nieuwsbrief van Biosimilars Nederland van afgelopen april was prof. Noordam genuanceerder: “In een aantal gevallen heeft omzetting niet plaatsgevonden, bijvoorbeeld als toediening door de ouder niet mogelijk was ten gevolge van een reumatische aandoening die een specifiek pensysteem vereiste.” In dezelfde nieuwsbrief wordt vermeld dat bij het Radboudumc “nieuwe kinderen die in aanmerking komen voor groeihormoonbehandeling kunnen kiezen tussen het biosimilar preparaat en het originator preparaat.” Deze keuzevrijheid blijft in het stuk in Medisch Contact onvermeld en wordt in het pleidooi naar een landelijke switch achterwege gelaten. Nuancering is echter ook hier op zijn plaats, want waakzaamheid is geboden.

Uit een onderzoek van SiRM blijkt namelijk dat patiënten aangeven omgezet te worden op een andere variant van groeihormoon, die weliswaar even effectief is, maar met een minder gebruiksvriendelijk hulpmiddel toegediend wordt. Behandelaren geven aan dat daarmee de therapietrouw in het geding komt en dat het mogelijk tot een verslechtering van het behandelresultaat leidt. In april van dit jaar schreef minister Schippers dat het beleid op dit terrein mogelijk bijsturing behoeft. Bovendien gaat het veelal om een kwetsbare groep patiënten (kinderen), aldus de minister.

De problematiek rondom groeihormoon vraagt om een genuanceerder beleid dan in het stuk van Noordam en Van Vlijmen wordt voorgestaan, waarbij niet geëxperimenteerd wordt met patiënten, dat bedoeld is om de kwaliteit van de groeihormoonzorg te bewaken. De volgende elementen zouden deel van kunnen uitmaken:

  • Startende patiënten krijgen de keuze voorgelegd tussen verschillende toedieningsvormen. Er moet ruimte voor een echt vrije keuze, zonder druk in de behandelkamer en mét transparantie van de zijde van het ziekenhuis over de rechten van de patiënt.
  • Patiënten alleen omzetten als het toedieningssysteem past bij de patiënt en de ouders. Zoals ook door het CBG recent is onderstreept, moet de patiënt goede voorlichting krijgen bij een wisseling van een medicijn.
  • Na switchen: goed monitoren en terugzetten op het oude middel indien nodig.

Het leveren van een goede zorg voor een kwetsbare patiëntengroep zou belangrijker moeten zijn dan het besparen van kosten. Niet alleen “goedkoop als het kan” moet het credo zijn, ook “duur als het moet”.

 

Johan de Graaf

voorzitter GroeiHormoon Patiënten Collectief – www.ghpc2.wpengine.com
tevens voorzitter van de Nederlandse Hypofyse Stichting